De pest en de avonden

Blog

Ik reis nooit zonder boek, en voor mijn eerste treinreis sinds de lockdown plukte ik ‘De avonden’ van Gerard Reve uit mijn boekenkast. Op de terugreis kocht ik ‘De pest,’ van Camus bij de Bruna op het station. En toen moest ik kiezen. Ik herinnerde me dat ik vaker de eerste bladzijdes las in ‘De avonden,’ maar het boek al snel weg legde. Ergens vind ik dat ik ‘De avonden’ moet lezen, het staat niet voor niets in de kast, maar ik heb altijd een reden om het niet te doen. Ook nu. Ik koos Camus.

Op de tweede bladzijde las ik ‘Onze stadgenoten werken hard, maar enkel en alleen om rijk te worden. Ze zijn vooral geinteresseerd in het zakenleven en houden zich naar eigen zeggen vooral bezig met handeldrijven. Uiteraard gaan ze eenvoudige genoegens als vrouwen, de bioscoop en zwemmen in zee niet uit de weg. Maar ze zijn zo verstandig die pleziertjes te reserveren voor de zaterdagavond en de zondag.’ Ik lachtte hardop, achter mijn mondkapje, en ik verslikte me en een meisje vroeg me vriendelijk of ik misschien hulp nodig had.

Kan ik een schrijver uit de vorige eeuw serieus nemen die de helft van de mensheid, en ook nog eens mijn helft, ziet als ‘eenvoudige genoegens,’ die genuttigd worden in het weekend? Waarin de stadsgenoten enkel mannen zijn en ik me in hen moet verplaatsen. Wat voor een wereldbeeld zit er achter zijn filosofie, als de vrouwelijke helft meedoet als pleziertje voor de zaterdagavond? Ik stopte het boek terug in mijn tas en nu staat het hier in de boekenkast. Misschien ga ik het nog lezen. Misschien is het na die tweede bladzijde wel anders. En uiteraard lees ik ook boeken waarbij ik me met niemand identificeer maar het leest een stuk lekkerder als het wel zo is.

Daarnaast ben ik beledigd. Ergens had ik wel een crush op Camus, ik heb zelfs zijn graf gezien, in Lourmarin. Het was er stil, op het geluid van de krekels na, en de zon brandde onbarmhartig op de stenen. Ook op die van hem.

Zeeland in oktober

Blog

We vertrokken voor de herfstvakantie naar een huis onderaan een dijk in Zeeland. Het lag verzonken in het gras. Achterin de tuin kakelden kippen en boven op een boom zat een naakte paspop zonder armen.

Het huis kraakte onder onze voeten, en de eigenaar vertelde ons dat het de watersnoodramp had overleefd. De muren stonden die nacht tot 1.80 meter diep in het zeewater. Vandaar die bladderende verf, wees hij.

De toilet op de tweede verdieping stond op een houten blok, als een soort troon onder een schuin dakraam, waarop de regen liedjes trommelde.

Die eerste dag wandelden we over de dijk. Het water golfde aan onze voeten. De wind zuchtte blad en zilt water en om ons heen verdween het land in het donker, met een witgrijze streep aan de horizon. Het land was leeg.

De tweede dag fietsten we naar het dorp. Het gras op de dijk was als een groene zee, wuivend in de wind.

De derde dag joeg hond achter een haas aan. We aten poffertjes en pannekoeken.

De vierde dag sloegen de takken ons wakker, met doffe dreunen tegen het schuine dak. In de schemer stonden we op de dijk. De wind als een trillende muur tegen onze ruggen. Op de weg onder ons tufte een brommer voorbij, als een bromvlieg.

De vijfde dag gingen we naar huis. Hond rende een laatste rondje. Achter ons verdwenen de populieren, de modderige dijk. Voor ons lag het land.

O hushed October morning mild,
Thy leaves have ripened to the fall;
Tomorrow’s wind, if it be wild,
Should waste them all
.’

Robert Frost – October

Indian summer

Blog

Deze week een laatste hittegolf, voor de herfst en winter definitief het land betrekken. Maar ik ben klaar met de zomer. Van mij mogen de winterjassen van zolder. Ik ben melancholiek, net zoals de natuur.

Het land zucht onder de zon, met een gevoel van spijt denk ik. Want de natuur weet het ook. Een laatste opleving. De bladeren gaan onherroepelijk vallen. Het fruit is al rijp. De lavendel kleurt grijsgroen in plaats van paars. Niets helblauwe luchten en vers wuivend blad aan de bomen, die opleving van hoop aan het begin van de zomer. Geritsel van oud blad, en de geur van koude, natte aarde waarin het blad al vergaat. Een paddestoel in de voortuin.

Gisterenavond verkleumde ik met een vriendin in een openlucht bioscoop midden in de stad. We willen het wel, maar het is toch echt voorbij. De zomer.

En wat een misleidend woord, ‘Indian summer.’ Iets met langgerekte rode bossen, de zon die lange schaduwen werpt over een rivier en in de nacht hoog brandende vuren, en gitaarmuziek. Bij ons heet het gewoon ‘oudewijvenzomer.’ Het is niet helemaal duidelijk waar dat vandaan komt, maar die ‘oude wijven’ staan waarschijnlijk voor een zwakke zomer. Uitgebloeid.

In Rusland is het natuurlijk erger, daar heet het ‘babje ljeto.’ Dat betekent ‘(oude) vrouwenzomer’. Met dat ‘oude’ zelfs tussen haakjes. Een verklaring voor deze naam is dat de Russische zomer maar kort zou zijn, net als het geluk dat een Russische vrouw in haar leven heeft.

Geen wonder dat ik melancholiek ben.
Geniet er nog van.

Schrijven over schrijven

Blog

‘Een blog is als een dier, een aapje op mijn rug. Het moet iedere dag gevoerd worden,’ las ik vorig jaar ergens. Zo voelde het voor mij ook – ik móest bloggen. Ik blogde liever dan dat ik aan mijn roman of verhalen werkte. Het bloggen stond mijn schrijven in de weg. Dat klinkt raar, ik deed het toch echt zelf. Vorig jaar, nadat ik die quote las, wist ik het zeker. Ik stopte met bloggen en zou mijn roman af schrijven.

Die voornemens mislukten allebei. Ik blogde na een paar weken fluitend door. Mijn roman werkte ik eind vorig jaar wel verder uit. Daarna nodigde ik een bataljon proeflezers uit en was ik bijna zover dat ik ging herschrijven. Toen kwam corona. En onze kat verdween. Het leven haalde me in, zogezegd.

Eerst blogde ik over wat ons overkwam. Na een paar weken lockdown schreef ik helemaal niet meer. Toen schreef ik een paar blogs met mijn zus. En rond Pasen waagde ik me aan een ander schrijfproject (waarvan ik het resultaat binnenkort met veel plezier ga aankondigen). Een verhaal dat ik in twee dagen schreef, onder druk van een deadline. Na plaatsing ontdekte ik pas dat ik het verkeerd gelezen had; de deadline was een maand later (ik wil niet eens proberen om dat te begrijpen.)

In augustus probeerde ik weer een ander genre. Een experiment. Ons vakantiehuis in Morienne in Frankrijk inspireerde me tot een heuse thriller (of is het horror?) Ik publiceerde zeven dagen achter elkaar een stuk op mijn website, met het zweet in mijn ogen, tijdens een tropische zomerweek. Het verhaal dwong me. Ik kon niet herschrijven, want iedere avond moest er een stuk online. Vreselijk. En toen ging ik onverwacht een weekje weg en verdween het verhaal uit mijn hoofd.

Nu spookt het in de nacht door mijn kamer. Het einde is in zicht, en tegelijkertijd vraag ik me af of ik er misschien een langer verhaal van moet maken. Zonder de haast van het internet.

Mijn tweede roman is dus ook nog niet af – en misschien lukt me dat nooit. Misschien is het een verhaal zonder einde. Ik kan nog steeds niet uitleggen waar het verhaal over gaat. Misschien is het niet meer dan een verhaal over een familie waarin onverklaarbare dingen gebeuren, zoals er in het echte leven ook dingen zomaar gebeuren. Misschien is het een boek waaraan ik werk als ik niet weet wat ik moet schrijven.

Het is ook geen boek dat dit jaar geschreven kon worden.

Ik zie ergens de contouren van een nieuw boek maar daar waag ik me nog niet aan. Ik schrijf liever over waarom ik schrijf wat ik schrijf, en hoe ik schrijf, met allerlei krijsende apen op mijn schouder.