De pest en de avonden

Blog

Ik reis nooit zonder boek, en voor mijn eerste treinreis sinds de lockdown plukte ik ‘De avonden’ van Gerard Reve uit mijn boekenkast. Op de terugreis kocht ik ‘De pest,’ van Camus bij de Bruna op het station. En toen moest ik kiezen. Ik herinnerde me dat ik vaker de eerste bladzijdes las in ‘De avonden,’ maar het boek al snel weg legde. Ergens vind ik dat ik ‘De avonden’ moet lezen, het staat niet voor niets in de kast, maar ik heb altijd een reden om het niet te doen. Ook nu. Ik koos Camus.

Op de tweede bladzijde las ik ‘Onze stadgenoten werken hard, maar enkel en alleen om rijk te worden. Ze zijn vooral geinteresseerd in het zakenleven en houden zich naar eigen zeggen vooral bezig met handeldrijven. Uiteraard gaan ze eenvoudige genoegens als vrouwen, de bioscoop en zwemmen in zee niet uit de weg. Maar ze zijn zo verstandig die pleziertjes te reserveren voor de zaterdagavond en de zondag.’ Ik lachtte hardop, achter mijn mondkapje, en ik verslikte me en een meisje vroeg me vriendelijk of ik misschien hulp nodig had.

Kan ik een schrijver uit de vorige eeuw serieus nemen die de helft van de mensheid, en ook nog eens mijn helft, ziet als ‘eenvoudige genoegens,’ die genuttigd worden in het weekend? Waarin de stadsgenoten enkel mannen zijn en ik me in hen moet verplaatsen. Wat voor een wereldbeeld zit er achter zijn filosofie, als de vrouwelijke helft meedoet als pleziertje voor de zaterdagavond? Ik stopte het boek terug in mijn tas en nu staat het hier in de boekenkast. Misschien ga ik het nog lezen. Misschien is het na die tweede bladzijde wel anders. En uiteraard lees ik ook boeken waarbij ik me met niemand identificeer maar het leest een stuk lekkerder als het wel zo is.

Daarnaast ben ik beledigd. Ergens had ik wel een crush op Camus, ik heb zelfs zijn graf gezien, in Lourmarin. Het was er stil, op het geluid van de krekels na, en de zon brandde onbarmhartig op de stenen. Ook op die van hem.

La verité

Blog

Vandaag zagen we La verité in de bioscoop. Met Catherine Deneuve en Juliette Binoche. Na afloop was Eindhoven grauw en lelijk.

Hoe heerlijk moet het zijn om een Francaise in Paris te zijn. In een semi nonchalant colbertje en een spijkerbroek, de haren in een losse knot. En dan al pruillippend mooi zijn, met iets van een meisje, hoe oud je ook bent. In een huis met hoge ramen en een trappenhuis en buiten sneeuwt het, of trekt de regen dikke druppels over het raam, of ligt er een tapijt van rode bladeren over een langgerekt gazon. In de keuken staan hoge glimmende pannen en er staat altijd wel een interessante man iets te proeven van een houten spaan, waarna hij zijn handen afveegt aan een schort en verder kookt. Er spetteren spekjes in de pan en de wijn glanst in de glazen op een tafel waaraan je dan eet, spaghetti draaiend en je spreekt vloeiend Frans en maakt koeltjes ruzie met een dochter, of een Amerikaanse schoonzoon of één van je mannen.

Het is natuurlijk maar een film.

Dagboek voor zussen – 5

Blog

Zus en ik publiceren sinds het corona virus onze dagboek notities. Want als er al een moment is om samen met een zus een dagboek te gaan schrijven, dan is het wel nu. Vandaag een gesprek over de dood en de gevaren van de zee – en waterangst. Of is het zwemangst?

Maandag 25 mei 2020 – Lizette
 

In januari was ik met mijn ouders en zus bij de begrafenis van een familielid. Ik huilde. Dat doe ik op ieder afscheid, om het verdriet van de nabestaanden en om alles dat voorbij gaat, ongeacht mijn relatie met de dode. “Maar hoe overleven mijn ouders dit slagveld?” schreef ik die avond in mijn dagboek, “hoe is het om te leven terwijl om je heen vrienden en zussen en broers sterven, en de wereld met geliefden steeds kleiner wordt.” 

Een vraag die nu minstens zo urgent is, en meer prangend lijkt. Ik sprak met mijn moeder over de dood. Is de dood nu dichter bij dan voor de corona uitbraak? “Morgen kan ik ook van een trap vallen,” zegt ze, “of plotseling kanker hebben, of onder een auto lopen. Of we gaan dood aan corona.” 

Ze heeft natuurlijk gelijk. Maar toch. Tegen corona kan ze zichzelf beschermen, en papa. Wij kunnen hen beschermen. We gooien onze ouders tenslotte ook niet massaal voor een auto. Met zijn allen beschermen we hen tegen het virus. Die verantwoordelijkheid hebben we.

Dat maakt het anders. We maken hier zelf een keuze in, wat we ook doen. Want iedere stap die ik die eerste weken in het huis van mijn ouders zette, kon dodelijk zijn. Dat is wat overdreven natuurlijk, maar zeker in die eerste paniekerige tijd voelde het zo. 

We houden nu geroutineerd afstand. Tijdens mijn laatste bezoek dans ik met mijn vader om de tafel om te voorkomen dat hij te dicht bij me komt, en buiten draaien we om de grote stenen plantenbak. Hij vergeet soms dat het virus er is en heeft niet in de gaten dat we samen al pratend rondjes blijven lopen. 

Daarna eten we ieder twee stukken hazelnoottaart met slagroom, die mijn moeder zelf bakte. “Ken je dat ene nummer,” zegt mijn vader tegen me, “ik weet niet meer hoe het gaat, weet jij het nog? Zo mooi.” Hij kijkt naar mama.
“Bedoel je dat nummer waar we laatst op dansten samen,” zegt ze, “Demis Roussos, My friend the wind?” Hij knikt.

Ik zie voor me hoe ze samen door de kamer dansen, mijn ouders. Buiten is het virus en zij dansen binnen. Die onverwoestbare drang om te leven, waar ik eerder over schreef. Jong en oud. “Ik weiger om ongelukkig te zijn,” schreef schrijfster Benoite Groult die tot op hoge leeftijd genoot van alles dat misschien de laatste keer in haar leven zou zijn. Dat herken ik bij mijn ouders.

 

 

Maandag 25 mei 2020 – Paula 

Mijmeren
Frankrijk, Collioure, mijn nieuwe man. Hond Ace♡. De zee, de zee,de zee.

Alhoewel ik echt fysiek oenig zwem, plons ik altijd zó bam de zee in. Heerlijk. Die klats tegen je lijf. Dát zand of die steentjes bijna pijnlijk onder je voeten. Je zakt wat weg en weg is de grond onder je voeten. Als ik verder dan drie meter weg zwem ontstaat er een lichte paniek die ook lekker voelt. Kan de grond niet meer raken, los van alles. Ik kan zwemmen. Kan terug. Een golf neemt me mee, een hap water in mijn mond en even wankel ik. Paniek en hop weer grip op mezelf. Soort spel.

Eigenlijk voelt het niet fijn. Eigenlijk. Tóch doe ik het zelf. Soort test. De gedachte aan onder water getrokken worden maakt dat ik bijna ga gillen. Met mijn hoofd onder water en dat dan in ontspannen toestand is niet haalbaar voor mij. Dát durf ik echt te stellen na honderden pogingen. Waarom zou ik ook. Wat moet mijn hoofd onder water?

Ik was een jaar of acht toen ik zeven meter onder water moest zwemmen. Met mijn kleren aan. Door een soort ring, een hoepelachtig iets. Waarom? Ik kon dat niet. De angst voor onder water zijn, in een dal van waterdruk en niet kunnen ademen was groot. En dan ook nog gericht zwemmen door een hoepel. Paniek en van die angstige ogen. En dan ook nog onder druk van zwemgenootjes en ouders. Kom op. Je kunt het. Uh. Not.

Wie heeft dat bedacht. Ziekelijk. Dát je moet leren zwemmen, ja. Dát het prettig is dat je eens ervaart hoe dat voelt, met je hoofd onder water. Ja. Wat dat doet met je oren, ogen en lichaam. Ja. Maar dat zeven meter jennen. Nee. Ik beweer dat het voor mij voor eeuwig plezier in zwemmen heeft vergald. Geloof dat ik vier keer op moest en toen lukte het. Triest.

Bij mijn kids zag ik niets terug van die angst. Zij wilden ontdekken, ook in het water.
Zonder probleem die koppies onder water en nadien vlamrode natte ogen, bibberende lijfjes in grote handdoeken gewikkeld. Tevreden snoetjes. Op vakantie nieuwe man met de drie knullen de zee in. De oudste twee redden het fysiek wel constateer ik. De klappen van de golven maken dat ze alle kanten uit vliegen. Ze lachen.

Jongste zoon is steeds vaker en langer onder water. Hij kijkt bang en lacht. Nieuwe man grijpt zijn arm keer op keer en houdt hem zo boven water. Ik durf niet te kijken en staar me suf. Focus op jongste zoon na mijn constatering dat oudste zonen dit kunnen. Jongste zoon niet. Die moet ik redden. Ik schreeuw en gil naar nieuwe man. Laat jongste zoon niet sterven, laat hem los, houdt hem vast. Ik maak zeer duidelijk met woeste blik en hysterische gebaren dat jongste zoon nú moet komen. Uit die moordenaar de zee. Jongste zoon is boos op mij. Het was zo leuk mam, zegt hij. Zijn snoet gehavend en ijskoud.

Ik voel me mijn moeder. “Paula wij,” zij en haar zussen bedoelende, “zijn opgegroeid met de zee!” Respect voor de zee. “Nóóit dieper de zee in dan tot de knieën hoor meisje. Je bent zo weg.” De zee is sterk en gevaarlijk. Onderstroom Paula, levensgevaarlijk. Mijn zonen halen zwemdiploma a,b,c én nog iets. Behendigheid -iets…

Ace in Collioure, de zee in. Achter nieuwe man aan. Ik volg ze met mijn ogen en wil bijna roepen, lichtelijk hysterisch want Ace al twee maal met zijn kop onder.., niet zo ver…. Ik houd me in en houd ze in de gaten.