De boeken van mijn vader

Blog

Mijn jongste zusje bracht een nieuw boek mee voor mijn vader. Een geïllustreerde versie van ‘Imagine’ van John Lennon. Bij ieder bezoek laat hij het me zien. ‘Dit boek ken je al, denk ik,’ zegt hij dan, en ‘het is ongelooflijk hé.’ Meestal legt hij het dan op tafel en streelt even met zijn hand over de kaft.

Stel je voor dat iedereen dit boek als voorbeeld nam,’ zegt hij dan, ‘dat iedereen dit gaat doen, dan, dan, zou het toch echt zo zijn.‘ Ik knik, ‘Ja echt pap, stel je voor, dat zou iets wonderbaarlijks zijn. Hoe de wereld er dan uit zou zien!’ Hij herhaalt het meerdere malen achter elkaar, onwetend van het feit dat hij de titel letterlijk vertaalt, ‘ Stel je voor, stel je voor. Als iedereen dit toch eens zou zien, weten.‘ En soms zingen we het nummer dan hardop, terwijl we het boek doorbladeren.

Eergisteren bekeken we samen de canon van Leidschendam-Voorburg, zijn geboorteplaats. Mijn vader naast me in zijn pyjama. Iedere straatnaam kan een herinnering oproepen en er is altijd de Vliet, die van Leiden via Voorschoten naar Leidschendam-Voorburg loopt. En er is Veur, waar hij als jongetje met de groente- en fruitboer uit de straat naartoe reed, naar de veiling.

We bladeren door de geschiedenis. We verwonderen ons over de turf die er gestoken werd, een molen die er nog steeds staat, bij de spoorwegovergang, en over de herkomst van de naam Stompwijk ‘Waar zou die naam toch vandaan komen?’ ‘Nou,’ zegt mijn vader terwijl hij naar achteren leunt, ‘ik denk dat het zoiets was ja.’ Hij steekt zijn armen voor zich uit, en vormt een vierkant met zijn handen terwijl hij me aan kijkt, op zoek naar de woorden. ‘Ja, iets bots,’ zegt mijn moeder en hij knikt, juist, dat is wat hij wilde zeggen.

En als hij de boeken weg legt, zegt hij ‘Toch mooi, ongelooflijk, als we zo’n boek bekijken, hoe, hoe, waar, hoe veel leven er in zit.’ We glimlachen naar elkaar. Ik snap wat hij zegt en ik denk te zien dat hij dat weet. Ik voel het, of misschien hoop ik dat vooral.  Het wonder van een boek dat zoveel verhalen in zich bergt en waarover we filosoferen. Zoals we lange jaren boomden over boeken, muziek en politiek. Even zijn we heel dicht bij elkaar. Het maakt niet uit dat hij niet altijd weet wie ik ben, en dat hij zich deze zin nu al niet meer herinnert en over vijf minuten is vergeten dat ik hier was. Mijn papa.

 

Mensen sterven niet alleen

Blog

De Iraanse Alireza Fazeli Monfared werd door zijn halfbroer en twee neven ontvoerd en vermoord. Het gebeurde vlak voordat hij naar Turkije zou vluchten. Naar zijn geliefde, zijn vriend. De moord was een eerwraak.

Ik kreeg zijn gezicht en verhaal niet meer uit mijn hoofd, zoals dat vele anderen ook niet lukte.

Het filmpje dat ik zie op internet is van zijn Instagram account. Hij zingt mee met een lied, en hij knipoogt. Zijn huid is gaaf, zijn haar zwart en hij draagt een wit shirt met een trui, of misschien is het een pullover. Hij kijkt me aan. Dat jonge leven is er niet meer, een kind, een zoon. Ik huil als ik het filmpje zie – de muziek is als een klaagzang die door mijn hoofd blijft spelen. En ik hoop dat het niet lang geduurd heeft. Dat hij niet veel pijn heeft geleden.

De woorden die hem doodden, gebruik ik niet. En tijdens het schrijven van deze blog zou ik het liefst mijn handen over zijn ogen leggen, “Kijk maar niet.” Alsof ik hem nu nog kan redden.

Hij zong, zijn leven lonkte, de geheime plannen voor een huis ver weg, met een bank en een bed en een raam onder een hoge hemel  – hij was er zo dichtbij. Nu is er de rouwende geliefde in Turkije. Zijn moeder werd na de moord met een shock in het ziekenhuis opgenomen. Ik ben die moeder, we zijn allemaal die moeders.

Hij had lief. Meer niet.

Hij is een tenger symbool voor ontelbare lhbti jongeren over de hele wereld. In dorpen en steden waar liefde verboden is. Jongeren die dromen over een veilig huis onder een andere hemel. Omdat ze van iemand houden.

Met Alireza Fazeli Monfared stierf de wereld om hem heen. Zijn eerste kus, zijn vertwijfeling. Zijn geliefde, die nooit meer dezelfde geliefde zal zijn. Zijn moeder die voor altijd een droevige moeder is, nu zij haar enige zoon verloor. Zijn bed is leeg, zijn dromen over een vrij leven, verdwenen. Weg.

 

Als mensen sterven, sterven ze niet alleen. Ze sterven samen met een eerste kus, een eerste worsteling. Ze nemen hun eerste dag in de sneeuw met zich mee. Alles verdwenen, weg – het is niet te stoppen.’

Yevgeny Yevtushenko

En liefde in mindere mate

Blog

Ergens las ik dat de essays van Doeschka Meijsing over haar favoriete schrijvers als liefdesverklaringen zijn. Voor haar dagboekaantekeningen in ‘En liefde in mindere mate‘ zou ook ik een liefdesverklaring willen schrijven. Ik ben een monogame lezer, zeg maar. Ik houd van mijn schrijfsters en schrijvers, en ik lees (en herlees) liever een heel oeuvre dan dat ik zomaar ‘nieuwelingen’ lees. Dit wordt dus het jaar van Doeschka Meijsing.

Natuurlijk ben ik overgevoelig voor melancholie – en hoe kunnen de dagboeken van een te vroeg gestorven schrijfster iets anders oproepen? De bij voorbaat al tragische ‘coming of age’ van Meijsing, tegen de blauwe hemel van de jeugd. ‘Tegenwoordig denk ik altijd aan de toekomst,’ schrijft ze op zondag 6 januari 1962, 14 jaar oud, ‘wie zal mijn man zijn? Ik wil het liefst een grote, sportieve, blonde man. – Later, als ik getrouwd ben, laat ik dit misschien aan hem lezen, als een van de mooiste dingen die ik heb.’

De lezer kan niet zonder buikpijn doorlezen, wetende dat het leven nooit mooier wordt dan een gelukkige dag als je jong bent, ‘Ik ben vreselijk gelukkig. Het is mei in de straten en de Hout is weer vol groen. De deuren in het huis staan allemaal wijd open en de dagen zijn vol met mensen die op blote voeten in en uit lopen, het gras maaien en de tuin sproeien.’

Op woensdag 11 mei 1966 om 15.00 uur schrijft ze ‘Ik zou het gelukkigste achttienjarige meisje van de wereld moeten zijn maar ik ben het niet, omdat ik graag denk dat ik nooit zó zou kunnen schrijven als ik wil, nooit zo zal kunnen liefhebben als ik wil.’ En op 23 mei ‘Oh god, ik heb zo’n hoofdpijn en ik ben zo ongelukkig, zo ongelukkig, zo onvoorstelbaar ongelukkig. (Ik zal net zo lang denken dat ik ongelukkig ben, totdat ik de betekenis niet meer voel en ik het kan zetten naast alle andere woorden waarvan de betekenis niet meer doorkomt.)’

De gevoelens die ze ervaart, lijken misschien wel groter op papier. Want als dagboekschrijfster weet ik dat het voor de argeloze lezer zo voelt; alsof het leven niets meer is dan een aaneenschakeling van grote gevoelens en intense gebeurtenissen. In Meijsings geval zijn dit verpletterende depressies. Hoe kan de schrijver leven, in de spelonken van die gevoelens?

Terwijl er in het echte leven van alles kabbelt en de dagen zich soms aan elkaar rijgen in eentonigheid. Dat beschrijven we niet in een dagboek, of in een enkele zin die de zinloosheid of het gelukzalige ritme van die dagen samenvat. Hoe persoonlijk een dagboek ook is, het spiegelt de dieptepunten en hoogtepunten. En af en toe ‘moet’ er iets opgeschreven worden dat niet eerder opgeschreven kon worden. Te intens, te fragiel. Terwijl we soms simpelweg schrijven om niet te vergeten, zoals ook Meijsing dat meerdere malen zegt.

Meijsing móest schrijven ‘Als ik eraan toegeef nooit te kunnen schrijven, zal dat mijn ondergang betekenen, want dan zal ik niet meer weten wat ik doen moet mijn zeventig jaren dat ik nog leven moet.‘ Dus ze bleef schrijven, en niet zonder succes.

Ze moest steeds maar hoger en hoger, en beter en beter, en blijft dat ook zeggen – de onzekerheid, de frustratie die met schrijven samenhangt. Hoe de woorden kapot maken wat ze wil schrijven – zoals het wapen van de schrijver zich altijd tegen de schrijver keert. En waarom ze haar werk bij Vrij Nederland niet waardeert, waar ze zich niet mee verbonden voelt, ‘Maar mijn probleem is dat ik altijd aan de roman denk, altijd rekening houd met het feit dat ik eigenlijk wil schrijven, wat ik vervolgens niet doe. Zo ben ik nooit ergens vast of thuis. Het is een vluchtmechanisme dat feilloos werkt om niets tot stand te hoeven brengen.’

Als mijn dagboeken íets op die van Meijsing leken, zo hartstochtelijk, intelligent, intens, zo vol leven en gitzwart verdriet, zo knorrig, liefdevol, jubelend en boos  – dan had ik ze allang uitgegeven. Ik ben benieuwd naar haar boeken. Misschien is dit het beste dat ze schreef, en dat klinkt hard. Want dit zijn dagboekaantekeningen. Een zelfportret waarin ze zich onbespied waande, als dat al kan. Of niet? We zullen het (denk ik) nooit weten.