Als ik niet meer kan schrijven

Blog

Ik lees de dagboeken van Doeschka Meijsing, die ze schreef tussen 1961 en 1987, startend vanaf haar 14e jaar. Ik ben nog niet op de helft. Maar haar hartstochtelijk schrijven raakt me, in woorden die ik op die leeftijd nooit had kunnen vinden. Het raakt me ook omdat ze leefde naar haar jonge overtuigingen en vragen, tenminste, dat denk ik uit haar dagboeken op te maken. Zo vraagt ze zich af wat ze zou zijn als ze het opgaf om te kunnen schrijven.  Een vraag die haar niet meer losliet, en mij nu ook niet.

In haar woorden tekent zich de schrijfster af, in alle kwetsbaarheid. Ik denk niet dat we vriendinnen geweest waren. Ze lijkt me veeleisend, drammerig, en misschien ook wel heel principieel en dweperig, als je dat al kunt opmaken uit een dagboek van een jong meisje. Het is natuurlijk niet aardig om dat te schrijven over iemand die je niet kent, en ook nooit zult leren kennen. Het doet er niet toe, zou je ook kunnen denken. Want in haar zinderende en volle dagboeken schrijft ze proza dat ik ruik en voel. En haar eerste gebroken hart als ze voor het laatst samen met vriendin Susan met een taxi door Rome rijdt waar de zon mistig opkomt achter de villa Borghese, is ook dat van mij.

Net zoals de gekmakende melancholie die ze voelt als er nog maar een week over is van haar vakantie in Rome ‘en ik ben treurig en niet treurig. Want ik ben zo ongelofelijk ongelukkig als ik bijna dacht dat onmogelijk was. Maar ik ben het, ik ben het!’ Misschien zou ik als vriendin jaloers geweest zijn op haar energie, haar discipline, haar vechtlust – en natuurlijk op haar schrijven. Of misschien was ik dan wel een hele andere vrouw geworden, als ik haar als vriendin had gehad.

Haar woorden kiest ze soms uiterst zorgvuldig, alsof ze op haar tenen loopt. Bij gebeurtenissen of emoties die zo fragiel zijn dat een verkeerd woord ze kan bederven.  Zo schrijft ze ‘Nu pas kan ik schrijven, nu pas durf ik de woorden neer te schrijven die ik denk. Heel voorzichtig en bedachtzaam moet ik zijn, omdat ik zo eerlijk mogelijk moet zijn. Voor het eerst heb ik een boek dat me boeide en ontroerde niet uit willen lezen omdat het slecht afliep.’

En ik deel haar verliefde gevoelens voor ‘Return to Brideshead,’ hoewel ik nooit geworsteld heb met het geloof. De broeierige zeer Engelse liefde tussen Charles en de knappe lord Sebastian Flyte, en die voor zijn zus Julia, tegen de achtergrond van het voorvaderlijk huis Brideshead castle. Het gevoel van verlies als je een boek uit hebt. En ook ik rookte mijn sigaretten anders na die ene vakantie, zoals zij dat deed na haar terugkeer uit Rome. Sommige reizen doen dat. Alleen zij schreef het op, ‘de taal klein houden en warm binnen onze mond’ en met iedere bladzijde leer ik haar beter kennen. Misschien waren we wel vriendinnen geweest.

Als ik er aan toegeef nooit te kunnen schrijven, zal dat mijn ondergang betekenen, want dan zal ik niet meer weten wat ik doen moet met mijn zeventig jaren die ik nog leven moet,’ schreef ze ergens in 1967, en dat is wat gisteren door mijn hoofd bleef spelen. Wat als de schrijver er aan toegeeft nooit te kunnen schrijven?

De muziek van mijn vader

Blog

Mijn vader dwaalt door de gangen. Hij trekt deuren van andere bewoners open en dicht, op zoek naar wat hij zojuist nog wist. Ergens in een kamer klinkt muziek en daar was hij naar onderweg, voor hij het vergat. Zijn gedachten zijn vluchtig als de muzieknoten in zijn hoofd, vol van een belofte, of misschien is dat wat ik hoop dat hij hoort. En ziet.

Misschien hoort hij een zaal met feestende mensen, het gerinkel van glazen, op de stoelen zijn vrouw en zijn ouders, zijn zussen. Een vergeten vriend die lachend overeind komt om hem te begroeten, de spelende meisjes die zijn kinderen zouden kunnen zijn.

Mijn vader heeft iets van  de verteller uit ‘Het grote avontuur,’ van Alain Fournier, het boek dat we beiden bewonderden. Het ligt op zijn kamer en hij laat het me zien, – ‘Weet je nog, onze grote vriend.‘ Hij is als de eenzame onderwijzerszoon uit het verhaal, een denker en een lezer. Maar hij is ook de gekwelde jonge aristocraat, wiens jonge bruid er op de huwelijksdag vandoor gaat. En hij is de sterke schooljongen die verdwaald in de nacht eindigt bij een verlaten kasteel, en daar verliefd wordt. 

Want mijn vader is jongen en man tegelijk, hij spant zijn spieren, hij is driest en gedwee, lezer en verteller. Hij zingt soldatenliederen en is blij en verdrietig. Hij is verliefd of zorgelijk leidinggevende, vader en zoon en broer en echtgenoot, omgeven door geliefden en onbekenden die onze gezichten dragen, op feesten en recepties die wij niet zien.

De woning waar onze avonturen een aanvang namen en ook weer hun einde vonden, als golven die op een eenzame rots weer komen stukbreken,’ zo schrijft de verteller uit ‘Het grote avontuur’ over zijn ouderlijk huis. En ik vind dat heel treffend nu mijn vader zijn wonderlijke avonturen alleen beleeft, nu alles mogelijk is. Het begin en einde van de verhalen die hij vertelt, en opnieuw vertelt. Zijn ogen zien wat alleen hij ziet.

Ik zie hem gaan, hij kijkt niet om, hij heeft me niet nodig. Hij lacht vriendelijk tegen de mensen die hem de weg wijzen en knikt, onderweg naar dat verlichte raam in het kasteel, waar iets op hem wacht.

 

We stoppen mijn vader in een koffer

Blog

 Owantana via Pixabay We stoppen mijn vader in een koffer. We doen het zorgvuldig en met aandacht, zoals mijn moeder de initialen in zijn pyjama’s borduurt.

We verhuizen de zithoek uit het huis naar een kamer met een linoleumvloer, en we vullen de muren met herinneringen. Een kamer met hoge ramen en een bed op wieltjes. Het landhuis waar hij bezoek gaat ontvangen en boeken bespreekt, muziek zal luisteren, dinertjes geeft. Waar hij zal huilen om de dood van zijn moeder en zijn krullen mist, nu hij zichzelf niet altijd in de spiegel herkent.

We stoppen mijn vader in een koffer. Zijn gitaar past tegen de muur, samen met de vakantie in een familiehuis aan zee dat hij schetst met weidse gebaren, en het nabijgelegen dorp vol dode vissers. Hij denkt aan de vrouwen op de dijk waar hij om huilt, even maar. In de boekenkast liggen papieren waar hij doorheen zoekt, ‘en toen, en toen.’ Paperclips, steentjes en elastiekjes, de dop van een vulpen, als kralen aan een ketting die hij blijft tellen. Er moet iets opgeruimd. Het is altijd druk bij mijn vader.

We stoppen mijn vader in een koffer en we doen het met liefde, en we schamen ons. We vouwen zijn kleren. ‘Weet je nog,’ zeggen we tegen elkaar. De onzekerheid in zijn ogen kust mijn moeder weg. In zijn hoofd trekt hij laatjes open en dicht en daar schemert het rijke leven dat hij zich herinnert, vermomd in de woorden die komen en gaan. Op de gang een dame die wil weten of we nog terugkomen en een meneer die in klanken spreekt. De medereizigers van mijn vader. We stoppen mijn vader in een koffer. Hij gaat op vakantie. Hij gaat logeren.