Dagboek voor zussen – 1

Blog

Als er al een moment is om samen met een zus een dagboek te gaan schrijven, dan is het wel nu. Want na de eerste weken thuis, wachtend op nieuws, is er nu het besef. Dit kan nog lang gaan duren. Deze uitbraak is meer dan een virus. Straks (ooit) lezen we dit terug, of onze kinderen (en straks ook kleinkinderen) en “Weet je nog,” zeggen we dan tegen elkaar “hoe we toen leefden?”

Zondag 5 aprilPaula

3.15 uur in de ochtend en ik ben weer klaarwakker. Ik heb het. Ja hoor, steken in mijn rug, verkramping van mijn longen. Hoofdpijn en mijn armen voelen echt zo zwaar. Het zakt weg en blijkt dan toch spierpijn van de overdreven work- out met maar liefst twee afleveringen van ‘Nederland beweegt’ als opwarming. Gevolgd door wellicht iets te pittige oefeningen, ingefluisterd door mijn op sportief vlak deskundige zoon. Oefeningen die ik straks beter nog een keer kan herhalen.

Ik check Instagram, facebook en LinkedIn. ‘Psycho Polly,’ denk ik. Ik vermoed dat andere mensen wel slapen, want er gebeurde weinig sinds 23.30 uur. Het is bijna ziekelijk hoe vaak ik check trouwens. Waarom doe ik dat? Hoofd zit al vol, nog voller.

Opbeurende teksten over sociale mensen vliegen me om de oren. Omdenken, loslaten, genieten, van betekenis zijn. Burgerinitiatieven. Waar blijf ik? Hoezo denk ik alleen aan mezelf, mijn zonen en mijn nieuwe man. Mijn ouders en zussen en lieve mensen om me heen. Maar in alle eerlijkheid, ik ben vooral met ‘ik’ bezig.

Heb ik het aangevoeld deze crisis? Ja, right Polly. Tot verbijstering van mijn zonen en nieuwe man maakte ik een tijdje geleden zeer enthousiast een Play list op Spotify. Dat doe ik vaker maar deze was echt belangrijk. Mijn ‘Paula dood afspeellijst’.
“Belachelijk,” zei mijn ene zoon.
“Jij bent echt raar, ” zei de ander en keek me boos aan. Mijn nieuwe man keek op, fronste en las verder.
“Toch deel ik hem met jullie, dan hebben jullie hem vast, ” zei ik. Een bevestiging bleef uit.

Ik was in Zuid-Afrika toen het begon. Ik zat vol van alle indrukken, inzichten en gevoelens die het daar zijn, voelen, ruiken en proeven me brachten. Ik was er net. Ik was mezelf daar in die setting aan het ontdekken. Wat bleef er van mij over, van mij uit mijn omgeving, in een andere wereld. Ook weer dat IK. Alles om me heen voelde intens. Ik was nieuwsgierig en was blij daar te zijn.

We werden eerder naar huis gehaald. Terecht natuurlijk. Bam, het was voorbij en ik kwam thuis in de gekte, de stilte, maar tegelijk ook terug in het bekende. Mijn zonen en nieuwe man gewoon aan het werk. Ik niet, nog niet. Twee weken thuis. Ik denk, ik denk. Ik pieker, ik fantaseer. Ik voel maar voel ook niet. Ben bang maar ook niet. Ik slaap kort. Ik volg Webinars maar volg het niet. Het komt niet binnen. Soms denk ik er niet aan. Dan komt er een bericht binnen en -te laat- het is er weer. Ik wil het niet.

Zondag 5 april 2020 – Lizette

De zon schijnt en ik schrik wakker, zoals ik de laatste weken iedere ochtend met een schok ontwaak. Eerst check ik mijn mobiel. We hebben een familie app, waarin we elkaar dagelijks goedemorgen wensen. Dit deden we ook voor het Corona virus. Maar nu check ik hem met meer urgentie, alsof mijn ouders in de nacht meer kans maken om zomaar in het ziekenhuis te verdwijnen. De eerste twee weken was ik zo blij als de nacht weer voorbij was en ik de emoticons van mama op mijn mobiel zag oplichten. Nu ben ik rustiger. We leven in een soort van ‘nieuw normaal,’ zo voelt het inmiddels.

Vandaag op bezoek bij papa en mama. Een uitje, nu we al dagen het huis amper uit gaan. Ik vul een mand met lekkers, een nieuw boek (Herman van Veen), zakjes met lavendel uit de Provence, een gedichtenbundel die papa misschien nog kan lezen. Tegelijkertijd bedenk ik me dat mama deze mand misschien wel maanden zo laat staan. Gewoon voor de zekerheid. Want stel je voor, dat virus, hoe lang overleeft het wel niet op een doosje truffels of de kaft van een nieuw boek dat door godweet hoeveel vreemde handen is aangeraakt! Het voelt alsof ik een bom klaar maak, die in het huis van mijn ouders af kan gaan.

De hond gaat mee, en de tweeling. Dochter en ik zijn te koud gekleed in onze t’ shirtjes, maar de zon schijnt zo mooi en het voelt zo heerlijk om eindelijk eens geen trui en jas aan te trekken. Met een paar auto’s achter elkaar verlaten we de stad. We sukkelen met 100 kilometer per uur over de bijna lege snelweg, als een convooi. Elkaar inhalen heeft geen zin meer en ik ben blij als ik de afrit neem, en even gas kan geven.

Ze staan voor het raam. Mama heeft al geappt; ‘We hebben teveel eieren, ik heb ze op tafel voor jullie klaar gezet.’ We zwaaien naar elkaar en mama belt me, met de vaste lijn. Ze probeert nog even of het kan, een derde telefoon, zodat we met zijn drieen kunnen bellen, maar helaas. Ik zet de luidspreker aan, en zij ook. We zeggen niet echt iets, zo met zijn vijven tegenover elkaar, spiegelend in het raam. Het is onwerkelijk, en toch, we hoeven niet veel te zeggen. Mijn ouders in hun huis, geruststellend, de trui van papa en mama in haar pyjama. Achter ons de feestende lentetuin, met witte bloemen in het gras. Hun tuinstoelen staan klaar voor de schuur, schuin naast elkaar in de zon.

Weer thuis stuurt mama foto’s van ons bezoek. En we nemen ons voor om dit meer te doen, tenminste, als het voor papa niet te verwarrend is. Het voelt zo vertrouwd, en het is zo fijn om te zien dat ze gewoon hetzelfde zijn, ondanks alles wat er gebeurt in de wereld. Natuurlijk vergaten we de eieren, op de tuintafel. Zoon rende terug, terwijl ik mama aan de telefoon had, ‘Mam, ik heb de deurklink van de poort aangeraakt, even schoon poetsen hé!’ zeg ik haar nog.

Dagboek van een virus – 3

Blog

Natuurlijk is de corona crisis niet te vergelijken met de verschrikkingen van een oorlog. Maar sinds de wereldwijde belegering door het virus kan ik niets anders dan vergelijkingen trekken. Misschien doen we dat allemaal wel, in een situatie die we niet onder controle hebben. Ergens zoeken we kaders, vanuit een veranderend wereldbeeld en een plotselinge kwetsbaarheid.

Zo lees ik al maanden iedere avond een stuk uit  ‘Dagboek voor vier handen’ van Benoite en Flora Groult. Een ‘Intiem dagboek over het liefdesleven van twee zusters,’-  liefde tegen de achtergrond van de tweede wereldoorlog. De gevoelens en observaties van de zusjes Groult (14 en 19 jaar) lees ik sinds het begin van de corona uitbraak anders. Het blijft bevreemdend hoe niet het boek veranderd is, maar ik als lezeres wel, waardoor het boek zich in een andere gedaante aan me vertoont.

Weken voor de capitulatie van Frankrijk schrijven de zusjes dat er in hun leven niets gebeurt,  ‘als twee oude schrijfsters die in bed koortsachtig in hun zakboekjes schrijven.’  ‘In het zand en onder de zon beleef ik – schandalig, maar het is niet anders – volmaakte ogenblikken, ‘ schrijft oudste zus Benoite, er zich pijnlijk van bewust dat 400 kilometer noordelijker bij Duinkerken de hel is los gebarsten.  ‘Mijn verdriet is onbestemd en abstract,’ schrijft ze, en dat is wat ik ervaar. En misschien ook vele anderen die niet persoonlijk door het virus geraakt zijn en het geluk hebben om in een warm, liefdevol huis te kunnen wachten op wat er gaat gebeuren.

De zussen wachten op het oorlogsnieuws bij de radio, samen met het hele gezin, zoals wij in huis iedere dag de nieuwe cijfers van het RIVM afwachten, en dit vervolgens becommentariëren. Ergens worden veldslagen geleverd waar de zussen niets van merkten, net zoals ik niets merk van de hectiek in de ziekenhuizen en het verdriet achter de cijfers die we dagelijks zien toenemen. 

Niets menselijks is de zussen vreemd, want tijdens het oorlogsdrama wordt er ook getreurd om een verloren jeugd ‘Mijn tijd zal voorbij zijn als de bezetting een paar jaar duurt. En ikzelf daarmee ook.’ Ik stel me voor hoe voor jongeren nu een scenario opdoemt van een verspilde jeugd, in een periode in het leven waarin iedere seconde telt.  Weken,  maanden (of zelfs langer!) van sociale onthouding. Een lang niets en ik herinner me nog al te goed hoe dat voelt. Want zelfs twee dagen wachten op het weekend duurt lang als je jong bent.

Het is onvoorstelbaar dat om de zussen heen door heel Europa wreedheden werden begaan, in de geruststellende huiselijkheid van dat dagboek, waarin de vader blijft zeggen ‘Flora, je hebt teveel lippenstift op,’ en ‘toen Benoite zo oud was als Flora, deed ze geen lippenstift op. En Flora zal me ge-hoor-za-men!’ De grote oorlog, zo klein in de dagelijkse observaties over de ‘verfoeilijke’ voedselrantsoenen, de blijdschap om een nieuwe jurk of een nieuwe liefde van Flora ‘Ik ben vijftien en ik heb a boy on his lips gekust. O, onreinheid! O, smerigheid! O, walging! Geef me schaamte, a.u.b., God.

Ik kan het de zussen niet kwalijk nemen dat ze doorleven tijdens dat drama, dat ze verliefd worden, ruzie maken en van hun jeugd willen genieten. Zoals ik het jongeren ook nu niet kwalijk neem dat ze verlangen naar een corona vrij leven, naar feestjes en ontmoetingen, geld verdienen, volwassen zijn en alles anders doen, beter ook.  Dat is wat ik nu lees in dit dagboek; de onverwoestbare drang om te leven.

Dagboek van een virus – 2

Blog

In ‘Liefde in tijden van cholera,’ van Gabriel Garcia Marguez sterft de bevolking in Zuid-Amerika tegen het einde van de negentiende eeuw massaal aan cholera epidemieën. Mensen wandelden en dansten hun noodlot tegemoet in de stank van open riolen, vanuit een rotsvast bijgeloof in oude gewoonten.  

Zo stonden de poten van de ziekenhuisbedden in potjes water om te verhinderen dat ziektes omhoog klommen. In de operatiezaal waren galakleding en ganzenleren handschoenen vereist, omdat elegantie een essentiële voorwaarde voor infectiewering was. En in het drinkwater leefden muggenlarven. De bewoners geloofden dat het ‘animes’ waren, bovennatuurlijke wezens die maagden het hof maakten vanuit het bezinksel van het water in de kruiken, en die tot vreselijke liefdeswraak in staat waren. Dus mensen dronken de dood, zeg maar.

Natuurlijk weten we nu beter. Maar hoe verleidelijk is het om parallellen te trekken. Want over honderd jaar lachen mensen over de maskers en kappen die we gebruikten vanuit de overtuiging dat het echt hielp. En wij maar onze handen wassen en anderhalve meter afstand houden, terwijl er dan misschien een programma is, dat van binnenuit de huid ontsmet.  Dat soort dingen.  

En zijn we anders dan die bijgelovige mensen uit de negentiende eeuw? Hoe kan ik anders het gedrag  verklaren van mensen die nu nog met een paar gezinnen in de speeltuin in het zonnetje afspreken en rijen dik in parken en winkels samen komen? Mensen die joggend, fotograferend en shoppend een dodelijke ziekte verspreiden. Ze geloven in iets. Er is iets dat hen beschermt, én iedereen die ze kunnen besmetten.  Het zijn dan misschien geen potjes water onder de ziekenhuisbedden, maar er is wel iets. Hoop ik, want anders snap ik het al helemaal niet meer.

Voor de schrijvers onder ons is het lastig om nu niet in apocalyptische fictie te vervallen. Mijn nieuwe roman is niet meer relevant nu, misschien moet ik het boek maar helemaal herschrijven; zwartgalliger, dramatischer en  in grootse gebaren, passend bij deze tijd die zomaar mijn wereldbeeld doet schuiven.  Een epos zoals Gabriel Garcia Marquez dat schreef, waarin de liefde dan uiteindelijk toch overwint.

Want natuurlijk, die titel hé; Liefde in tijden van corona. In apocalyptische fictie sterven altijd een paar goeieriken, maar overwint uiteindelijk de liefde.