De zomer van de reine-claudes

Blog

Ik las en herlas ‘De zomer van de reine- claudes‘ van Rumer Godden verschillende keren. Iedere keer weer zucht ik bij de eerste regels “Af en toe, die hele hete Franse augustusmaand, aten wij ons ziek aan de reine-claudes. Joss en ik voelden ons schuldig – wij waren nog op die leeftijd dat wij dachten dat gulzigheid een kinderachtige fout was – en dit gaf ons een schuldgevoel, een zekere hopeloosheid, omdat wij tot nu toe gedacht hadden dat onze gebreken bij het ouder worden zouden verdwijnen, maar dit was niet zo.”

Het boek hoort bij mijn jeugd. En al in die eerste zinnen las ik wat ik als vijftienjarige lezeres begon te vermoeden; volwassenen zijn niet anders dan grote kinderen. Ik herinner me niet dat ik dat heel verontrustend vond. Ook het gegeven dat Eliot, de licht grijzende charmante crimineel uit het boek, warme gevoelens koesterde voor de oudste zestienjarige zus Jos, vond ik niet bedenkelijk. Uiteindelijk verloor hij door die gevoelens zijn voorzichtigheid, en daarmee bijna zijn vrijheid. Dat vond ik vooral dom.

In ‘De zomer van de reine claudes’ reist mevrouw Grey met haar vijf kinderen (vier dochters en een zoontje) uit het Engelse Southstone naar hotel ‘Les Oeillets’ in Vieux-Moutiers in Frankrijk. Maar op de eerste reisdag wordt moeder ziek. De vijf kinderen verblijven daardoor een hete zomer in het hotel, zonder moeder, onder de hoede van de charmante boef Eliot, die zijn zorg voor de kinderen als het perfecte alibi ziet om langere tijd in het hotel te verblijven.

Het verhaal heeft voor ieder wat wils – een lesbische liefde, een mademoiselle Zizi, broertje Willmouse die met scharen en spelden ontwerpen drapeerde over zijn modelpoppen juffrouw Dawn en Dolores – “Ik naai niet,” zei Willmouse, “dat zal gedaan worden op mijn ateliers,”- en de scherp observerende vertelster Cecil, het jongere zusje dat met een mengeling van jaloezie en liefde haar knappe zus Jos probeert bij te houden in het leven.

Die zussenliefde is uit het leven van de schrijfster gegrepen. Samen met haar ouders en drie zussen groeide Rumer Godden op in een gigantisch huis in India, waar iedere kamer even ‘groot was als een balzaal.’ Ze leefde in de schaduw van haar oudere zus Jon, volgens eigen zeggen onopgemerkt en gewoontjes. Maar dat is het beste wat een schrijfster kan overkomen, vond ze, want “To be ignored is the best possible thing for a writer. My writing was an effort to outdo her.” Het leven van de schrijfster leest overigens als een van haar eigen boeken, maar dat is weer een ander verhaal.

Ergens is het een seksistisch boek. Met de 16-jarige maagdelijke en kuise Jos, als tegenhanger van mademoiselle Zizi, de minnares van Eliot, de man die in het boek overal mee weg lijkt te komen, hoe slecht hij ook is. Het beeld op de kaft is treffend; Jos met spitse jongemeisjesborsten, haar handen gevouwen voor haar buik, met zedig gesloten ogen. En Eliot op de achtergrond, in een zelfverzekerde houding, met zijn handen in zijn zakken.

Maar toch, Godden bracht een Engels gezin tot leven dat ik benijdde om dat Franse avontuur, net zoals ik verliefd werd op de boomgaard achter het hotel waar zelfs in die snikhete zomer de hele dag dauw op het lange gras lag. De kritische en meedogenloze stem van de jonge Cecil maakt ook veel goed, een stem die voor mij als jonge lezeres niet alleen de woorden sprak die ik nog niet bedacht had, maar me ook de geuren van ‘Les Oeillets’ liet ruiken – ‘geuren van stoffige aarde en koele gepleisterde muren, van jasmijn en buxusbladeren in de zon, van dauw op het lange gras; de geur die het huis en de tuin vulde, van de keuken van monsieur Armand en de eigenlijke lucht van het huis zelf: vochtig linnen of meubelwas en altijd een beetje van een rioolputje.’