Ode aan het dagboek

Blog

Is het schrijven van een dagboek de ultieme vorm van navelstaren? Ik schrijf dagboeken om niet te vergeten, en om mezelf te begrijpen en alleen al de ontmoeting met mijn jongere ik is de moeite van het schrijven waard. Zo schreef ik in oktober 1989 over de verjaardag van mijn zusje; ‘Het feest was gezellig. Ik zat. Rode wijn. Bed opgemaakt met handdoeken en mijn jas. Zaterdagochtend op tijd op, in trein per ongeluk zonder kaartje, thuis alles nog donker. Ik door raam naar binnen. Taarten gebakken. Zondag weer feest. Lootjes getrokken voor Sinterklaas.’

Voor mijn jongere ik was dat schijnbaar een doodgewone dag. Dat geïmproviseerde bed, het zwartrijden (niet expres maar dan toch) en als je niet door de deur naar binnen kunt, dan klim je toch gewoon door het raam? Het rare is; ik herinner me er niets van terwijl ik het tot in detail voor me zie, want natuurlijk ken ik de huizen en mensen waar ik over schrijf. Een dagboek is dus als een foto album, maar dan driedimensionaal. En een ontmoeting met het meisje dat ik was, heeft iets bevreemdends en is tegelijkertijd bevrijdend, want zo was het om jong te zijn.

Virginia Wolf zei ‘Het bijhouden van een dagboek slaat het een brug tussen de persoon die we in het verleden waren, in het heden zijn en in de toekomst zullen worden.’ En kunstschilder Eugene Delacroix schreef, ‘Door mijn ervaringen vast te leggen, leef ik mijn leven twee keer. Het verleden komt bij me terug. De toekomst draag ik altijd bij me.’

Natuurlijk zijn er meer redenen. Oscar Wilde reisde nooit zonder zijn dagboek, ‘omdat je altijd iets sensationeels bij je moet hebben om te lezen in de trein.’ Ook ik reis met mijn dagboek in mijn tas, en ook ik herlees mijn dagboeken net zo graag als andere boeken, en dat voelt soms raar, mijn verleden als een pageturner. Dit jaar verhuist mijn dagboek vooral van kamer tot kamer in ons huis, want op veel andere plaatsen kom ik niet, maar toch, het lezen is er niet minder sensationeel door. Integendeel.

Zo schreef ik op 18 maart 2020 de volgende zinnen in mijn dagboek; ‘Nog geen maand later. Het land bijna in lockdown. Corona virus jaagt over de wereld. We leven in een film. Zo surrealistisch. En ondertussen is het lente, de bomen net zo groen als anders.’ In die korte zinnen proef ik mijn verwarring. Want ik schrijf dagboeken sinds mijn achtste verjaardag en nooit eerder voelde ik me onderdeel van een heus historisch drama. En als ik het afgelopen jaar terug lees, vind ik er woorden die nooit eerder in mijn dagboeken voorkwamen. Woorden als quarantaine, mondkapjes, een heuse avondklok en rellen om de hoek, bij het station in Eindhoven.

Over een aantal jaren lees ik dit dagboek, en zeg tegen mijn geliefden ‘Weet je nog hoe bang we toen waren, dat het virus nooit meer weg zou gaan?’ of ‘Weet je nog dat we toen geloofden dat we dit virus de baas konden?’ Het dagboek dat leest als een avontuur, en ieder woord waarmee ik een ervaring beschrijf, dwingt me om er betekenis aan te geven. Want ook dat is wat een dagboek doet; ik schrijf en herschrijf mijn levensverhaal, mijn waarheid.

Zo interviewde ik mezelf in een dagboek uit 1988. Een kritisch interview waarmee ik wilde begrijpen waarom ik zo verliefd was op een jongen. ‘Wat is er zo leuk aan…‘ is mijn openingsvraag. Ik voel het ongeduld in mijn vragen en antwoorden, en ‘Dit is dus onzinnig gezwam,’ concludeerde ik 33 jaar geleden. Maar toch, als ik het zo lees, begrijp ik nu waarom ik verliefd op hem was. 

Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd,’ zei de Deense filosoof Kierkengaard, en dat is waarin mijn dagboek ook voorziet. Die blik achterwaarts, waarna ik weer doorleef. 

Het bijhouden van een dagboek is een gebruik dat ons – beter dan wat dan ook – de kunst van de eenzaamheid leert: hoe we alleen kunnen zijn, de dingen bewust kunnen ervaren en in contact kunnen staan met ons innerlijke leven.’ Eens. Mijn dagboek is als een (vierde!) zus waar ik ‘s avonds in bed mee klets. Ik hervind er een gedicht voor onze overleden stokoude kater, een ruzie met mijn ouders, een sinterklaasgedicht van een inmiddels overleden vriendin en uitgeschreven gesprekken met vrienden en vriendinnen, inclusief uitroeptekens.

En op de eerste bladzijde van dat dagboek uit 1989 stop ik abrupt met schrijven (en ik houd écht van een nieuw schrift, van die eerste verse bladzijde) want ‘Maar nu is er zo’n lekkere dansmuziek op de radio, dat ik wel moet dansen!’ Ook dat dus. 

 

 

(En ik ben bezig met een groter artikel over de ‘zin en onzin van een dagboek.’ Wordt vervolgd, misschien.)