Waarom we (bijna) allemaal hobbyschrijvers zijn

Blog

Vandaag zag ik sinds lange tijd eens een praatprogramma over schrijvers en boeken, bij De Balie. Hoe val je als debuterend schrijver op, daar ging het gesprek over. En hoe pikken uitgeverijen nieuwe talentvolle stemmen uit al die manuscripten? Vragen die me blijven intrigeren, ondanks jaren van persoonlijk en diepgravend onderzoek.

Bij de vraag hoeveel medewerkers er van het Hollands Maandblad bij het programma aanwezig waren, leek meer dan de helft van het publiek de hand op te steken. Allemaal schrijvers natuurlijk, die het Hollands Maandblad lezen, of er in schrijven.

Ik schreef het al eerder; literaire tijdschriften worden hoofdzakelijk gelezen door schrijvers. Lezers zijn vaak schrijver, en de meeste schrijvers zijn ook lezer. Een zichzelf in stand houdende cirkel, en daar is niets mis mee.

Hetzelfde geldt misschien ook voor dit soort literaire bijeenkomsten. Zelf zegde ik al verschillende tijdschriftabonnementen op en bezoek ik geen literaire evenementen. Dat is niet om stoer te doen. Ten eerste, ik lees heus graag, maar alsjeblieft geen literaire tijdschriften – te literair, te zwaardoenerig, te experimenteel, teveel van alles. En van literaire evenementen word ik maar jaloers, en onzeker.

Maar, om to-the-point te komen, iemand zei; ‘En misschien moeten sommige aspirant schrijvers accepteren dat ze een hobbyschrijver blijven.’ Maar is het niet zo dat het merendeel van de Nederlandse schrijvers een soort van hobbyschrijver is? Met clubs om samen te komen met gelijkgestemde hobbyisten, zoals De Balie. En tijdschriften als het Hollands Maandblad waarin we voorbeelden van onze hobby tentoonstellen.

Een hobbyist, lees ik, ‘ is meestal op enthousiaste wijze met de hobby bezig. Veel hobby’s kunnen thuis gedaan worden. Soms wordt daar dan ook een speciale hobbykamer voor ingericht, niet zelden op een zolder. Een ander veelvoorkomend aspect in het leven van een hobbyist zijn verenigingen, ook vaak als clubs omschreven. Hier komen gelijkgestemde hobbyisten samen om hun hobby te bedrijven. Er over te praten, inspiratie op te doen en de passie voor de activiteit te delen. Voor vrijwel ieder denkbare hobby worden er regelmatig evenementen georganiseerd, vaak opgezet door bedrijven die de hobby als marktgebied bedienen.’ 

Klinkt een beetje als literair Nederland, toch?

Daarnaast, in Nederland kunnen schrijvers amper leven van hun boeken. Trouw berekenende dat in 2019 maar 55 schrijvers een modaal inkomen verdienden met de royalty’s op verkochte boeken (toen zo’n 37.0000 euro). En nog eens 60 schrijvers verdienden tussen het minimumloon (19.200 euro) en modaal in. Dat zijn 115 schrijvers. Volgens Boekenwerk waren er in 2015 zo’n 30.000 actieve auteurs, waarvan ruim 10.000 in het literair-culturele segment.

Er zijn dus veel schrijvers die een zakcentje verdienen met de uitgave van een boek, een beetje als een bijbaan, of een hobby. Dat is niets nieuws en niets om je voor te schamen. Door de eeuwen heen kleumden serieuze schrijvers weg op zolderkamertjes.

Ik geloof ook niet dat uitgevers, redacteuren en andere werknemers in de boekenbranche stinkend rijk worden, enkele uitzonderingen nagelaten. Misschien is er voor het boek gewoon geen businessmodel te bedenken. Teveel verschillende lezers, teveel schrijvers, teveel mensen die aan één boek geld moeten verdienen. In dienst nemen of per uur betalen is onmogelijk. Hoe moet je in hemelsnaam een uurprijs of salaris bedenken? Voor zo’n schrijver die uren naar de computer staart, twee alinea’s schrijft en dan zuchtend naar huis gaat.

Met andere woorden; we zijn (bijna) allemaal hobbyschrijvers, of hoogstens bijbaanschrijvers. Los van de paar grootverdieners in de literatuur.  Misschien moet je als debuterend schrijver niet op willen vallen. Maar flink schrijven, zelf je boek uitbrengen, je website updaten (Het boek is er!!) en vervolgens verder werken. Aan je tweede roman. Net zoals echte hobbyschrijvers dat deden, vroeger.