Zeeland in oktober

Blog

We vertrokken voor de herfstvakantie naar een huis onderaan een dijk in Zeeland. Het lag verzonken in het gras. Achterin de tuin kakelden kippen en boven op een boom zat een naakte paspop zonder armen.

Het huis kraakte onder onze voeten, en de eigenaar vertelde ons dat het de watersnoodramp had overleefd. De muren stonden die nacht tot 1.80 meter diep in het zeewater. Vandaar die bladderende verf, wees hij.

De toilet op de tweede verdieping stond op een houten blok, als een soort troon onder een schuin dakraam, waarop de regen liedjes trommelde.

Die eerste dag wandelden we over de dijk. Het water golfde aan onze voeten. De wind zuchtte blad en zilt water en om ons heen verdween het land in het donker, met een witgrijze streep aan de horizon. Het land was leeg.

De tweede dag fietsten we naar het dorp. Het gras op de dijk was als een groene zee, wuivend in de wind.

De derde dag joeg hond achter een haas aan. We aten poffertjes en pannekoeken.

De vierde dag sloegen de takken ons wakker, met doffe dreunen tegen het schuine dak. In de schemer stonden we op de dijk. De wind als een trillende muur tegen onze ruggen. Op de weg onder ons tufte een brommer voorbij, als een bromvlieg.

De vijfde dag gingen we naar huis. Hond rende een laatste rondje. Achter ons verdwenen de populieren, de modderige dijk. Voor ons lag het land.

O hushed October morning mild,
Thy leaves have ripened to the fall;
Tomorrow’s wind, if it be wild,
Should waste them all
.’

Robert Frost – October